Het genereren van inkomen gaat voor veel groepen in onze samenleving niet bepaald over rozen (Deel 2)

Ondanks mijn psychiatrische achtergrond werk ik inmiddels al bijna 10 jaar voor het zelfde bedrijf.  In deze serie artikelen geef ik een strikt persoonlijke doch zo veel mogelijk objectieve beschouwing van die 10 jaar. Hierbij leg ik ook de link richting mijn aspergergerelateerde gevoeligheid

Deel 2: Het maken van digitaal kaartmateriaal, een tot op heden niet erkend ambacht.

Toen ik instroomde op de “cartografische afdeling” bestond deze, in de vorm zoals ik ‘m aantrof, al pakweg 10 jaar. Een aantal medewerkers wist zich nog goed te herinneren hoe in de tweede helft van de jaren ’90 de digitale kaartdata het begonnen te winnen van de papieren variant. De software-ontwikkelaar en dataspecialist verdrongen de cartografisch tekenaar. Omdat het digitale kaartproduct de toekomst had – net zoals alles wat met internet te maken had, trouwens – was het van groot belang dat de papieren kaart zo snel mogelijk in de database moest worden gepompt. De concurrent zit namelijk niet stil. Dat een landelijk opererende organisatie op dat moment besloot, om hun uiteraard nog jonge afdeling “kaartdigitalisatie” af te stoten, kwam als geroepen. Grappig detail is, dat ik me vanuit mijn studietijd nog digitale kaarten van deze organisatie kan herinneren. Tegenover de papieren kaart zag het er allemaal nog erg ongedetailleerd  uit, maar dat kon ook niet anders. Het stond nog in de kinderschoenen. “Dat veranderd nog wel, zoiets heeft tijd nodig”.

“Cartografen” met een aversie tegen cartografen

Iets wat ik in die tijd natuurlijk niet wist, was het gegeven dat bij het digitalisatieproces van de “kaart van de toekomst” geen volwaardige rol meer was weggelegd voor de cartograaf. Het “vullen” van de cartografische database werd vooral als data entry werk beschouwd. Hiertoe werden dan ook mensen met een dito achtergrond in dienst genomen. “Het overtekenen van een kaart moet toch niet zo moeilijk zijn”. Hoewel ik deze beslissing vanuit kostenoverwegingen begrijp (een data entry medewerker is vanwege de aanzienlijk beperktere opleidingseisen immers veel goedkoper dan een cartografisch tekenaar.) ben ik van mening dat dit het begin is geweest van de opeenstapeling van problemen binnen de “cartografische afdeling”. Het geven van vaste aanstellingen aan vooral mensen die het cartografische vak onvoldoende (of in een aantal gevallen zelfs helemaal niet) beheersen, is de ideale voedingsbodem gebleken voor een verregaande aversie richting mensen die wel weten hoe ze goed en breed inzetbaar kaartmateriaal  moeten vormgeven. Zij worden slechts als bedreiging ervaren. Ofschoon dit gevoel van onmacht (het gebrek aan kennis kan mensen erg onzeker maken) begrijpelijk is, had men ook kunnen besluiten om van de kennis van de collega’s met kaarttekenkennis gebruik te maken. Mijn ervaringen van de afgelopen jaren hebben geleerd dat die bereidheid echter verre van vanzelfsprekend is. Doordat kennisoverdracht totaal niet werd gestimuleerd, zocht men liever de veiligheid van de hiërarchie op, zodat men zeker is geen zelfstandige beslissingen te hoeven nemen. Het gegeven dat zelfs de “databasemanager” tot vandaag de dag het belang van gedegen kaartvormgeving onvoldoende inziet mag met betrekking tot het hierboven geschetste niet onbenoemd blijven.

Zonder gedegen kennis is het vormgeven van een kaart eigenlijk onmogelijk

Dat het fabriceren van digitaal kaartmateriaal door mensen zonder affiniteit voor kaarten lijdt tot verregaande inefficiëntie, heb ik de afgelopen jaren ruimschoots mogen ervaren. Doordat het aantal mensen met inzicht in verkeerskundige, stedenbouwkundige, landschapskundige en administratieve structuren op mijn afdeling reeds vanaf het begin minimaal is geweest, is de oorspronkelijke digitale kaartdatabase met veel te weinig kennis en accuratesse “verrijkt”. Wanneer men niet door heeft dat kaartstructuren als samenhangend netwerk fungeren krijgt men situaties waarbij bijvoorbeeld de rivier ontbreekt waar de gemeentegrens overloopt, de straten van een nieuwbouwwijk zijn ingevoerd maar de oranje kleur van de (toekomstige) bebouwing inclusief de beeldbepalende groenstructuren niet of dat bij het openstellen van een nieuwe belangrijke weg het voormalige patroon aan plattelandswegen ongewijzigd in de database blijft zitten waardoor allerlei navigatiefouten ontstaan. Een ander facet waaruit het gebrek aan kunde binnen de afdeling blijkt, is het gegeven dat het voor het gros van de daar werkende mensen nog steeds zeer lastig (in een aantal gevallen zelfs een onmogelijke opgave) is, om zelfstandig nieuwe hoofdwegen (inclusief de bijbehorende attributen zoals wegnummers, hectometerpalen, afslagen en wegclassificatie) in de database in te tekenen. Aan de hand van de hierboven genoemde voorbeelden wil ik, hoewel het in het eerste geval zo lijkt, geen directe collega’s aanvallen. Ik zie het veel meer als een uitvloeisel van beleid van bovenaf. Als ik zelf ergens werk en weet dat ik kennis tekort kom (en door mijn meerdere niet wordt gestimuleerd om mijn kennis op deze terreinen te verrijken omdat hij/zij die zelf eigenlijk ook niet bezit), zou ik mijzelf wellicht ook passief met betrekking tot m’n werk opstellen. Dit is in een dergelijke situatie immers de beste garantie voor baanbehoud (de hypotheek of huur moet immers ook betaald worden). Wat de afdeling, waar ik werk, reeds na de “Blitzkrieg” van eind jaren ’90 nodig had gehad, was niet alleen een groter gehalte aan echte cartografen maar ook veel meer ruimte voor een bottom-up benadering met betrekking tot inhoud en organisatie van het werk (dit inclusief ruimere ontwikkelingsmogelijkheden binnen het cartografische werkveld). Buiten het feit dat dit de kwaliteit van de database sterk ten goede zou zijn gekomen, zou dit de betrokkenheid en creativiteit van de gehele afdeling sterk hebben vergroot. Ongeacht of iemand “kaartfreak” is of niet.

Slag met betrekking tot cartografische datakwaliteit gemist

Nu. na bijna 10 jaar werkervaring durf ik gerust te stellen, dat de onderneming waar ik op dit moment nog steeds werkzaam ben, de slag met betrekking tot toekomstbestendige cartografische datakwaliteit inmiddels heeft gemist. Een consistente visie met betrekking tot de inhoud van de cartografische database is er, in elk geval sinds ik in dienst ben, nooit geweest. Enkele voorbeelden; Ooit moesten in sneltreinvaart alle bospaden in worden gevoerd omdat deze gebruikt zouden gaan worden. Inmiddels is duidelijk dat dit toen dermate onnauwkeurig is gedaan dat alles eigenlijk over moet worden gedaan. Aan zaken die te maken hadden met landgebruik mocht niet te veel tijd worden besteed. Nu blijkt dat er klanten zijn die graag willen dat alle individuele bebouwing binnen hun gemeente op nette wijze in onze data kan worden geplakt. Daartoe is het belangrijk dat de bebouwingscontouren waarheidsgetrouw ingetekend zijn. Dit is op behoorlijk veel plekken niet het geval. Ooit zijn, om een voor mij onbekende rede, alle voetpaden uit de database verwijderd. Later moesten deze juist weer worden ingevoerd vanwege het feit dat huisnummers op tal van plaatsen te ver van de werkelijke plaats geplaatst werden en vanwege de wandelrouteplanner. “Snelheid won het zo te zeggen telkens van nauwkeurigheid”.  Ideeën omtrent databenadering en aanpak, vaak afkomstig van mij, werden (vermoedelijk vanwege de eerder in dit artikel besproken vorm van aversie) afgeketst of zelfs niet eens in behandeling genomen. “Het bedrijf maakt immers geen kaarten maar IT-producten”. Het zou me niet verbazen als binnen afzienbare tijd alleen nog cartografische data ingekocht gaat worden, welke dan slechts nog met routinematige handelingen wordt bewerkt. Dit zou ik ontzettend jammer vinden. Ondanks de twijfelachtige datakwaliteit van een aanzienlijk deel van Nederland beschouw ik de database nog steeds als een “kindje” van me, waar ik altijd met hart en ziel aan heb gewerkt. Ook al heeft dit steeds meer het karakter van een achterhoedegevecht gekregen. Aangezien het brede arsenaal aan IT-toepassingen, waarvoor het bedrijf waar ik werk tot op heden onze digitale versie van Nederland gebruikt, beschouw ik een volledige overstap naar ingekochte kaartdata echter verklaarbaar.

Aangezien het feit dat mijn eerste afdelingschef mijn kaartkwaliteitsgerichte werkwijze erg waardeerde, vermoed ik dat hij toendertijd heeft geprobeerd om de cartograaf zijn volwaardige plaats binnen het bedrijf terug te geven. Hierin werd hij echter tegengewerkt. Dit kwam duidelijk tot uiting toen de beste (en eigenlijk enige) ervaren cartografische kracht vrij plotseling een baan binnen een van de andere BV’s kreeg aangeboden. Hoewel hij heeft geprobeerd om in de aanloop naar de reorganisatie van eind 2009 enkele rotte appels uit de afdeling te snijden, wisten diegenen waarom het ging vermoedelijk heel goed dat hij daartoe geen schijn van kans had. Ten eerste zou het ontslaan van deze mensen, vanwege het grote aantal dienstjaren, tot een aanzienlijke kostenpost voor het bedrijf hebben geleid. Ten tweede vermoed ik dat het, op basis van de hierboven geschetste houding tegenover het cartografisch discipline, sommige hoger geplaatsten heel goed uitkwam dat in elk geval de mensen die volgens hen aan deze houding loyaal waren konden blijven zitten.

 

Het genereren van inkomen gaat voor veel groepen in onze samenleving niet bepaald over rozen (Deel 1)

Ondanks mijn psychiatrische achtergrond werk ik inmiddels al bijna 10 jaar voor het zelfde bedrijf. In deze serie artikelen geef ik een strikt persoonlijke doch zo veel mogelijk objectieve beschouwing van die 10 jaar. Hierbij leg ik ook de link richting mijn aspergergerelateerde gevoeligheid.

Deel 1: De eerste twee jaar, een cartografisch “walhalla”

Laat ik, voordat ik met het uiteenzetten van mijn persoonlijke ervaringen start, beginnen om te zeggen dat ik bij een bedrijf werk wat zeer interessante digitale kaartproducten ontwikkeld en onderhoudt. Dat vond ik al op dag één en dat vind ik, ondanks alle gebeurtenissen van de afgelopen 10 jaar, nog steeds. Dat zelfde geldt voor de inhoud van het werk waarvoor ik destijds ben aangenomen. De passie voor hetgeen ik doe is ondanks alles nooit verdwenen.

We schrijven maandag 7 januari 2008. Na een zoektocht van meerdere jaren – jaren waarin ik me, omdat ik niet van een uitkering afhankelijk wilde zijn, aan allerlei lullige baantjes had gewaagd – begon ik als cartografisch medewerker bij een bedrijf in de IT-sector. Mijn actieve opstelling tijdens het individuele re-integratietraject had gewerkt. Ondanks mijn “stoornis” in het autistische spectrum had ik een baan gevonden die redelijk goed bij mijn opleiding aansloot. Al snel vond ik binnen mijn kersverse werkomgeving mijn draai. Dat was ook niet zo vreemd. Binnen de onderneming waar ik terecht was gekomen werkten immers behoorlijk wat vakidioten zoals ik, waarvan sommigen zelfs een “autistisch trekje” vertoonden. Hoewel de BV waar ik in dienst was gekomen, onderdeel was van een holding waar meerdere bedrijven (die allemaal in het zelfde gebouw zaten) onder vielen, beschouwden de meeste medewerkers het geheel van BV’s als één familie. Dat het me weinig moeite kostte om m’n proeftijd van 2 maanden te overleven behoeft dan ook geen nadere toelichting.

Het werk waar ik voor was ingenomen was eigenlijk op mijn lijf geschreven. Samen met pakweg 10 collega’s zorgden ik ervoor dat de digitale kaart van geheel Nederland up-to-date bleef, zodat gebruikers van bijvoorbeeld navigatiesystemen niet de verkeerde kant op werden gestuurd. Het feit dat ik als kind al uren in de atlas bladerde (gefascineerd door al die wegen, steden, rivieren en bergketens) werkte in m’n voordeel. In tegenstelling tot de meeste anderen op mijn afdeling hoefde ik niet vaak op te zoeken waar ik ergens in Nederland moest zijn. Ik scrolde er gewoon naartoe. Ruim de helft van mijn collega’s vond dat geweldig, evenals mijn toenmalige afdelingschef. Dat zelfde gold voor de kwaliteit van mijn werk. Soms trad ik te ver in details, maar dat leek men niet erg te vinden. De kwaliteit stond als een huis en de snelheid waarmee ik verkeerskundige en andersoortige cartografische situaties inschatte was bovengemiddeld snel.

Hoewel de meeste mensen om me heen mijn werk en mij als persoon waardeerden, was er eigenlijk reeds vanaf dag één een groepje binnen de BV, waaronder mijn coördinator, die mij leek te mijden. Vooralsnog had ik van hen weinig te duchten. Dat dit in de toekomst drastisch zou gaan veranderen kon ik toen nog niet vermoeden. Er was voor mijn gevoel niks dat daar op wees. De afdeling waar ik werkte werd tenslotte actief bij allerlei nieuwe initiatieven betrokken, waarvoor zelfs mensen werden aangenomen. Dat dit voor de afdeling geen vanzelfsprekendheid was, wist ik toen nog niet. Gelukkig had de afdelingschef weinig op met dat groepje. Hij vond ze, mede vanwege hun geroddel en hun naar binnen gekeerde houding (kliekjesvorming), onsympathiek. Bovendien zou het een paar van hen volledig ontbreken aan knowhow wat betreft de inhoud van het werk en de wil om hierin te investeren. Hoewel ik de meesten van hen met betrekking tot sympathie niet in twijfel trok, kon ik hem wat betreft het tweede punt inderdaad niet helemaal ongelijk geven. Vanwege mijn “aspergerdetailleerde” blik was ik immers al tal van zaken tegengekomen waarvan ik dacht, “hoe kun je dat in hemelsnaam zo invoeren?”. Ik verbaasde me er dan ook over dat zij al pakweg 10 jaar in dienst waren. Dat zij het juist waren die de grote reorganisatie van eind 2009 overleefden, kwam voor mij als een enorme klap bij heldere hemel. Hoe kon het dat juist mijn afdelingschef (die inderdaad tegen het hierboven genoemde groepje niet altijd even tactisch optrad) en een aantal jonge bevlogen collega’s van me moesten vertrekken?

 

 

 

Komende maandag reis ik ’n week af naar Engeland. Ik ga daar Londen en Brighton “onveilig maken”. Mijn eerste Engelstalige stripalbum (Stangl’s little watch) gaat uiteraard voor de verkoop mee. Via dit blog houd ik jullie op de hoogte van mijn aanstaande UK-scene.

De levenskunst van het “anders” zijn.

Pas toen ik 33 was kreeg ik, na een groot aantal innerlijk zeer turbulente jaren, te horen dat ik een vorm van Asperger had, maar eigenlijk besef ik heel m’n leven al dat ik heel anders in het leven sta dan de meeste andere mensen. Ik heb van mijn 4e tot mijn 18e niet voor niets speciaal onderwijs gevolgd. Een periode waar ik overigens ook veel mooie herinneringen aan heb. Hoewel ik (zeker in de huidige sterk verzakelijkte) samenleving dikwijls op onbegrip stuit, heeft het bezitten van een “Asperger persoonlijkheid” ook veel mooie kanten. Hier haal ik inmiddels veel kracht en levensvreugde uit. Omdat ik uit eigen ervaring weet, hoe moeilijk het voor mensen met een psychische kwetsbaarheid is, om gelukkig te zijn, heb ik besloten om aan mijn persoonlijke verhaal een blog te wijden. “Het vinden en vasthouden van de kracht” blijft een race van vallen en opstaan. Laten we elkaar daarin steunen en vooral van elkaar leren. ….en last but not least, laat je ook verrassen door de perikelen van de Gapscene, de stripboekenreeks die ik zelf teken en uitgeef en geniet van m’n reisreportages.

Deze strip staat op bladzijde 1 van het album Festival Numerique. Dit album heb ik getekend in 2006/2007. Ik woonde toen bij het RIBW (begeleid wonen). Ik wist toen pas net dat ik een “stoornis” in het autistisch spectrum had. Als kind was ik zelf ook veel met getallen bezig.
Goede avond allemaal. Welkom op mijn gloednieuwe blog. Dit blog zal niet alleen ik het teken staan van ontwikkelingen rondom mijn tekenwerk (de stripboekenreeks “Gapscene” die ik zelf teken, schrijf en uitgeef). Ook de aanstaande reizen die ik wil ondernemen en mijn ervaringen als psychisch kwetsbaar persoon in de huidige (vaak harde) samenleving zullen ruimschoots aan bod gaan komen.